Een dyslexie-onderzoek bij H&G Onderwijs

Hoe verloopt een dyslexie-onderzoek bij H&G Onderwijs? De volgende informatie is bedoeld om u als ouder of leerkracht van een leerling met leerproblemen, inzicht te geven in de manier waarop een dyslexie-onderzoek bij H&G Onderwijs plaatsvindt.

Het intake-gesprek

Wij beginnen een onderzoek altijd met een intake-gesprek. Voorafgaand aan het intakegesprek kunt u digitaal een anamnesevragenlijst invullen. Deze lijst staat op de site. U kunt hem downloaden, invullen en weer terugmailen. We zouden het prettig vinden om hem minstens een dag voor het intakegesprek te ontvangen. In deze lijst zijn onder andere vragen terug te vinden betreffende:

  • de vroegkinderlijke ontwikkeling
  • de spraak/taal ontwikkeling
  • de motorische ontwikkeling en
  • de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Belangrijk zijn de vragen over de lees- en spellingontwikkeling op school. Hoe is deze verlopen? Gegevens van het leerlingvolgsysteem zijn hierbij handig. Is er een behandelingsplan opgesteld en is er al systematisch geoefend om eventuele achterstanden op te heffen? Hoe is de schoolloopbaan verlopen? Heeft de leerling ononderbroken scholing gehad? Deze vragen zijn van groot belang voor een goede diagnose. Voor het intakegesprek wordt een afspraak gemaakt met een van de ouders en de leerling op een geschikt tijdstip, bijvoorbeeld na schooltijd.

Het dyslexie-onderzoek

Na deze intakefase volgt het onderzoek. Dit wordt voor een basisschoolleerling meestal gedaan in twee ochtenden; voor leerlingen in het voortgezet onderwijs duurt het onderzoek één schooldag. Het dyslexie-onderzoek bij H&G Onderwijs bestaat uit drie onderdelen:

  1. Het vaststellen van de mate waarin lees- en spellingproblemen voorkomen: de Onderkennende diagnose.
  2. Het vaststellen van de factoren die de lees- en spellingproblemen veroorzaken en in stand houden: de zogenaamde verklarende diagnose.
  3. Het vaststellen van compenserende factoren, bijkomende problemen en behandelingsmogelijkheden gericht op deze specifieke leerling: de indicerende diagnose.

De onderkennende diagnose

In de onderkennende diagnose wordt het didactisch niveau van het lezen en spellen vastgesteld. Er worden daarom een aantal lees- en spellingtoetsen afgenomen (op het niveau van losse woorden, zinnen en teksten). Belangrijk is dat wij kunnen vaststellen of er sprake is van (ernstige) achterstanden op woordniveau bij het lezen en /of bij de spelling. Er wordt daarbij rekening gehouden met leeftijd, intelligentie en scholing. In dit kader is het van belang dat wij een indruk krijgen van het denkvermogen van de leerling. Op basis van deze gegevens kan er vastgesteld worden in hoeverre de lees- en spellingvaardigheden achterblijven bij de cognitieve mogelijkheden die de leerling in feite heeft. Er wordt daarom altijd een intelligentietest afgenomen. Welk test gebruikt wordt, hangt onder andere af van de leeftijd van de leerling, de aard van de problematiek en de ernst van de problematiek. Vervolgens gaan wij na hoe vaardig de leerling is op het gebied van begrijpend lezen. Indien er sprake is van ernstige leesproblemen, worden de teksten en de vragen voorgelezen. Bij leerlingen in de onderbouw zal dit bijna altijd het geval zijn. Tevens moet er vastgesteld worden of de problematiek hardnekkig is. Dit wil zeggen dat de problemen blijven bestaan ook wanneer er voorzien is een adequate remediërende instructie en oefening. Om dit te kunnen vaststellen zijn gegevens van de basisschool nodig. Het gaat dan om vragen als: wordt er op dit moment extra geoefend? Is er in het verleden een handelingsplan opgesteld en uitgevoerd? Zo ja, hoe lang en wat heeft men behandeld? Indien een remediale behandeling nog niet heeft plaatsgevonden, kan deze nu alsnog opgestart worden. Specifieke behandelingsadviezen komen op basis van het onderzoek tot stand. Een kort herhalingsonderzoek na ongeveer een half jaar kan dan de hardnekkigheid van de problematiek aantonen of weerleggen.

De verklarende diagnose

Wanneer er geconcludeerd is dat er sprake is van een hardnekkig lees- en/of spellingprobleem gaan wij op zoek naar factoren die ten grondslag liggen aan de stoornis. De wetenschap gaat er op dit moment van uit dat lees- en/of spellingproblemen het gevolg kunnen zijn van diverse stoornissen of afwijkingen in onderliggende cognitieve processen: Lees –en spellingproblemen kunnen voortkomen uit tekorten in het fonemisch (klank) bewustzijn. Er is vaker sprake van een zekere traagheid in het ophalen van taal- en symboolkennis; dit uit zich in woordvindingsproblemen en een geringere benoemingssnelheid. De omvang van het werkgeheugen is in het algemeen gering bij leerlingen met dyslexie. Hierdoor ontstaan problemen met het onthouden van informatie waar niet direct een betekenis aan gegeven kan worden. De informatieverwerking verloopt in het algemeen trager en/of onnauwkeuriger.

 Automatiseringstekorten spelen vaak een rol in een zwak ontwikkelde lees- en spellingvaardigheid. Deze tekorten zie je ook terug bij bijvoorbeeld het rekenen. Leerlingen met dyslexie blijven vaak hangen in bepaalde lees- en spellingstrategieën die niet passen bij de leeftijd en situatie. Een onderzoek naar de gebruikte lees- en spellingstrategieën maakt dan ook deel uit van het onderzoek. Tot slot is uit onderzoek gebleken dat bij dyslexie erfelijkheid een rol kan spelen. Wanneer dyslexie bij andere familieleden voorkomt is dit een belangrijke indicator in de verklarende diagnose. Al deze factoren kunnen een onderliggende rol spelen in de problematiek en worden daarom systematisch onderzocht in de fase van de verklarende diagnose.

De indicerende diagnose

Wanneer wij alle gegevens en bevindingen verzameld hebben, kunnen wij bepalen of de diagnose ‘dyslexie’ al dan niet gesteld kan worden. Indien ook de hardnekkigheid van de problematiek aangetoond is, kan er een dyslexie-verklaring afgegeven worden. De geldigheidsduur van een dyslexie-verklaring is in principe onbepaald. Omdat de omstandigheden in de loop der jaren kunnen veranderen, kan het echter verstandig zijn om bepaalde onderdelen van de verklaring op termijn aan te passen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs. Op basis van de onderdelen een en twee kan er nu aangeven worden wat de specifieke pedagogische-didactische behoeften van deze leerling zijn met betrekking tot lezen en spellen. Dit kunnen behandelingsadviezen zijn en/of richtlijnen voor de leerkracht, waardoor deze beter kan omgaan met het leerprobleem in de klas en waardoor de leerling zo min mogelijk belemmeringen ervaart. Belangrijk is dat de leerling niet gefrustreerd raakt in de ontwikkeling van zijn of haar talenten. Ook kan het soms voorkomen dat andere factoren een rol spelen in het minder goed functioneren van een leerling: concentratiezwakte, motorische problemen, sociaal-emotionele problemen (faalangst komt bijvoorbeeld erg vaak voor als gevolg van dyslexie). Al dit soort zaken worden eveneens in kaart gebracht en zullen zo mogelijk betrokken worden in de behandeling. Tenslotte kan in sommige gevallen een doorverwijzing voor verder onderzoek nodig zijn.